Comprar vs Vender – Kopen versus verkopen in het Portugees

Als je Portugees leert, zijn er een aantal basiswerkwoorden die je moet kennen. Twee van de belangrijkste zijn comprar en vender, wat respectievelijk “kopen” en “verkopen” betekent. In dit artikel gaan we dieper in op de betekenis, gebruik en conjugatie van deze werkwoorden.

Betekenis
Comprar is het Portugese werkwoord voor “kopen”. Dit werkwoord wordt gebruikt wanneer je iets aanschaft of koopt. Bijvoorbeeld: Eu quero comprar um livro (Ik wil een boek kopen).

Vender is het Portugese werkwoord voor “verkopen”. Dit werkwoord wordt gebruikt wanneer je iets verkoopt. Bijvoorbeeld: Eu quero vender meu carro (Ik wil mijn auto verkopen).

Conjugatie
Net als in het Nederlands, moeten Portugese werkwoorden worden geconjugeerd op basis van de persoon en tijd. Hier is een overzicht van de conjugatie van comprar en vender in de tegenwoordige tijd:

Comprar
Eu compro (ik koop)
Tu compras (jij koopt)
Ele/ela/você compra (hij/zij/u koopt)
Nós compramos (wij kopen)
Vós comprais (jullie kopen)
Eles/elas/vocês compram (zij kopen)

Vender
Eu vendo (ik verkoop)
Tu vendes (jij verkoopt)
Ele/ela/você vende (hij/zij/u verkoopt)
Nós vendemos (wij verkopen)
Vós vendeis (jullie verkopen)
Eles/elas/vocês vendem (zij verkopen)

Gebruik in zinnen
Het is belangrijk om te weten hoe je deze werkwoorden in verschillende zinnen kunt gebruiken. Hier zijn enkele voorbeelden van zinnen met comprar en vender:

Comprar
Eu vou comprar um carro novo (Ik ga een nieuwe auto kopen).
Ela quer comprar uma casa (Zij wil een huis kopen).
Nós compramos frutas no mercado (Wij kopen fruit op de markt).

Vender
Eu preciso vender meu telefone velho (Ik moet mijn oude telefoon verkopen).
Ele vai vender seu apartamento (Hij gaat zijn appartement verkopen).
Vocês vendem roupas na loja (Jullie verkopen kleding in de winkel).

Tijd en aspect
Naast de tegenwoordige tijd, kun je comprar en vender ook in andere tijden conjugeren. Hier zijn enkele voorbeelden van de verleden tijd en de toekomende tijd:

Comprar (verleden tijd)
Eu comprei (ik kocht)
Tu compraste (jij kocht)
Ele/ela/você comprou (hij/zij/u kocht)
Nós compramos (wij kochten)
Vós comprastes (jullie kochten)
Eles/elas/vocês compraram (zij kochten)

Vender (verleden tijd)
Eu vendi (ik verkocht)
Tu vendeste (jij verkocht)
Ele/ela/você vendeu (hij/zij/u verkocht)
Nós vendemos (wij verkochten)
Vós vendestes (jullie verkochten)
Eles/elas/vocês venderam (zij verkochten)

Comprar (toekomende tijd)
Eu comprarei (ik zal kopen)
Tu comprarás (jij zal kopen)
Ele/ela/você comprará (hij/zij/u zal kopen)
Nós compraremos (wij zullen kopen)
Vós comprareis (jullie zullen kopen)
Eles/elas/vocês comprarão (zij zullen kopen)

Vender (toekomende tijd)
Eu venderei (ik zal verkopen)
Tu venderás (jij zal verkopen)
Ele/ela/você venderá (hij/zij/u zal verkopen)
Nós venderemos (wij zullen verkopen)
Vós vendereis (jullie zullen verkopen)
Eles/elas/vocês venderão (zij zullen verkopen)

Conclusie
Het kennen en begrijpen van de werkwoorden comprar en vender is essentieel voor iedereen die Portugees leert. Deze werkwoorden worden vaak gebruikt in dagelijkse gesprekken en zijn van groot belang voor het begrijpen van de taal. Met deze informatie ben je klaar om deze werkwoorden correct te gebruiken in verschillende tijden en contexten. Oefen regelmatig om vertrouwd te raken met de conjugaties en gebruik ze in je dagelijkse gesprekken.

Leer 5x sneller een taal met AI

Talkpal is een AI-gestuurde taaltutor. Leer 57+ talen 5x sneller met revolutionaire technologie.